Hoe kan je dit werk doen zonder het ‘mee naar huis te nemen’?

Onlangs hadden mijn vriendin en ik een interessante discussie over het ‘mee naar huis nemen’ van gebeurtenissen tijdens het werk als zorgverlener. Zelfs de geringste ervaring in de zorg levert een pletora aan indringende gebeurtenissen op. Van de met-spoed-opgenomen-demente-mevrouw die zich angstig afvraagt waarom ‘ze er niet uit mag’ (de kinderen moeten immers naar school!), tot het op gruwelijke wijze overlijden van patiënten en een ‘tentamen suïcide’ (poging tot zelfdoding) die je om 7 uur ’s ochtends volledig ‘am ende’ aanstaart. De verhalen van mantelzorgers, die jarenlang gevecht leveren met de WMO voor iets simpels als een aangepaste rolstoel voor ernstig gehandicapte mensen.

Zonder te willen zeggen dat het een plek is voor masochistische of sadistische personen (integendeel) lijkt de waaromvraag me wel op z’n plek; waarom – in godesnaam – willen mensen een vak in de zorg uitoefenen? Binnen de zorgverlenende beroepen, zo is mijn bescheiden ervaring, heerst een bepaald adagium van ‘professionele afstand’. Een strikte scheiding van de ‘normale omgang’ met mensen en de ‘zorgverlenende omgang’. Van het niet willen tutoyeren van patiënten tot het zeer cynisch omgaan met gebeurtenissen onder collega’s (zorgverlenershumor is bij wijlen zo hard dat Hans Teeuwen huilie zou gaan doen), de professionele omgang met afstand-nabijheid heb ik vele vormen zien aannemen. Vriendinlief en ik verbazen ons echter regelmatig over wat er voorvalt tijdens werk of stage, soms vergezeld van de nodige uitingen van ‘klote’ en ‘kut’. Laat ik overigens niet onvermeld laten dat ‘gelukkige overpeinzing’ vaker onderdeel is van de verbazing. Maar is dat reflectie? Of een probleem? Kan ik dit werk doen zonder het mee naar huis te nemen?

Het is een vraag die volgens mij snijdt aan de huidige discussie over zorg voor (oudere) mensen. De zorg wordt ‘onmenselijkheid’ verweten. Mensen zijn nummers in de database van het CIZ en met ijzeren hand wordt er geregeerd over ‘de behoeften van de cliënt‘. Volgens mij is de verwarring over woorden als ‘cliënt’, ‘zorgvrager’,  ‘patiënt’ en meer recent ook ‘klant’ al een aanwijzing dat we (als student) met vragen moeten worstelen over de relatie tussen zorgverlener en ‘de andere mens’, maar dat terzijde.

Grofgeschetst ken ik m.b.t. het afstand-nabijheidvraagstuk binnen de verpleegkunde twee extreme gezichtspunten; de ‘systematisch methodische’ of ‘interventiezorg’ en een benadering zoals ‘presentie’. Ik wil absoluut niet pretenderen dat dit ‘de’ manier is om hier naar te kijken en als je niet geïnteresseerd bent in persoonlijke opvattingen van de schrijver dezes, surf dan gerust verder.

Met betrekking tot de systematisch methodische benadering van de verpleegkunde kan denk ik verwezen worden naar de activiteit van bijvoorbeeld NANDA, de  North American Nursing Diagnosis Association en publicaties als ‘Carpenito’. Diagnosen, interventies, ‘outcomes’; een systematische benadering van het vak die een grote rol wordt toebedicht in de professionalisering van het beroep van verpleegkunde. Reeds in het eerste jaar van de opleiding komt dit – vaak als zuiver theoretisch beschouwde – onderwerp aan bod.

Ik heb evenwel niet de indruk dat bovenstaande beweging reden is voor mensen om bijvoorbeeld verpleegkunde te gaan studeren. ‘Iets met mensen doen’ hoor ik veel vaker. Maar geloof mij niet zomaar op m’n woord; wat zegt de literatuur hierover? In een onderzoek dat ik vond naar de visie van Bachelor of Nursing studenten van een Nederlandse Hogeschool op het werken in de GGZ (Hoekstra et al. 2009)  lezen we het volgende:

“All respondents indicated that their career choice had been motivated by their wish to help other people.”

Dat is redelijk in lijn met mijn eigen ervaringen; ‘iets doen met mensen’ sluit er prima op aan, er van uitgaande dat men met ‘iets doen’ doorgaans geen marteling wil aanduiden. Maar doen mensen ook iets met jou? De respondenten in het onderzoek van Hoekstra et al. geven op het vlak van de GGZ aan dat ze veelal niet denken het broodnodige geduld op te kunnen brengen dat de GGZ van hen zal vragen. Dat doet denken dat zaken als ‘irritatie’ op de loer liggen; een reden om te denken dat er dus, een (negatieve) reactie te verwachten is op de omgang met bepaalde mensen. Ook kennen studenten meer waardering toe aan afdelingen als een spoedeisende hulp (SEH), toch een plek van interveniërende zorg. In ‘Menslievende Zorg’ (van Heijst, 2008), wordt de presentietheorie van Andries Baart naar voren  geschoven als antwoord op ‘interventionisme’ (het doorschieten van zorg in het denken en werken met interventies). Van Heijst wijdt uitgebreid aandacht aan de wijze waarop de ‘presentiebeoefenaar’ en de behoeftige mens met elkaar omgaan. Dat is ook niet zo gek, aangezien dit toch wel de kern vormt van de theorie. Ze stelt daarbij een scherp contrast tussen de huidige opvatting van een zorgprofessional en de houding die van de presentietheorie uitgaat;

“Daarom laat de presentiebeoefenaar moedwillig dingen over haar kant gaan, is ‘bedonderbaar’, toont geduld, laat zich niet afschrikken, staat niet op haar strepen en komt iedere keer weer opdagen (p. 172)”

en:

“Wat de presentiebeoefenaar doet, geschiedt volgens Baart in een latende modus van werken. […] Moeilijk is verder dat de buitenwereld de latende modus nauwelijks herkent als echt werk, omdat het niet beantwoord aan wat men binnen de interventiezorg gewend is en voor zorg is gaan aanzien (p.173-174)”

Over de wijze waarop zorgverlener omgaat met (indrukwekkende) gebeurtenissen stelt ze op p. 175:

“De presentiebeoefenaar raakt aan wat er omgaat in de ander, en blijft zelf daardoor niet onberoerd of buiten schot.”

Mensen doen dus ook iets met verpleegkundigen en dat achterwege laten lijkt volgens van Heijst een fout!Bovenstaande lijkt wellicht te suggereren dat de ‘presentietheorie’ nogal ‘soft’ is, iets voor zachte eieren in geitenwollen sokken. Ik heb evenwel de citaten geselecteerd om een contrast te vormen tussen wijze waarop studenten (naar mijn idee) kiezen voor het vak en hetgeen ze vervolgen op de opleiding aantreffen. Zo bekeken lijken dat twee vrij verschillende zaken, waarbij er veel theoretisch discours wordt besteedt aan zaken als de ICD-10, DSM’s en NANDA gesprekstechnieken en in de lessen ethiek de mensvragen aan bod komen. Ook is Menslievende Zorg geen totale aanklacht aan het adres van interventiezorg; van Heijst onderkent absoluut het belang daarvan (zoals op de hierboven genoemde SEH), maar ziet in veel zorgbehoeftigheid de beperkingen daarvan, met ‘toegevoegd leed’ als gevolg. Wanneer men ziek wordt van zorg zeg maar. Vanuit de theorie van presentie gaat het echter veel meer om ‘er zijn’ (als mens), ook wanneer interventiezorg faalt of geen ingang kan vinden.  Een dergelijk gezichtspunt is ook te herkennen in de visie van Hans Becker’s ‘Levenskunst op leeftijd’ (Becker, 2006) die omschreven wordt in one-liners als: ‘teveel zorg is erger dan te weinig” en de ‘dictatuur van de diëtist’.

Vanuit een van de mogelijke redenaties van (aspirerant) studenten lijkt het ‘mensen willen helpen’ een ‘doen’ kant te hebben; zorgen als ‘handen uit de mouwen’. Praktische competentie wordt ook vaak hoog gewaardeerd, waar de vermeende ‘studieboekenwijsheid’ van de HBO-V nogal eens meer negatief wordt afgeschilderd. Dit strookt evenwel weer niet met een visie op presentie in de hierboven omschreven ‘latende modus’.

Er is dus een ‘menselijk initiatief’ om verpleegkunde te gaan studeren, maar op twee vlakken zijn er problemen te ontdekken met dat initiatief; aan de ene kant dient het in een ‘interventie-aanpak’ aangeleerd te worden, met een belangrijke nadruk op de ‘professie van de verpleegkunde’ (met als summum ‘de verplegingswetenschappen’?) aan de andere kant is het de vraag of de student genoeg wordt toegerust om met situaties om te gaan waarin juist de interventie-houding tekortschiet. Reflectie wordt gezien als een basaal onderdeel van het verpleegkundig beroep  en kent een lange geschiedenis buiten de verpleegkunde om. Michel Foucault schets in ‘Breekbare vrijheid’ (Foucault, 1998) en interessante historie van reflectie als middel tot zelfzorg, waarin ‘ken uzelf’ en ‘zorg voor uzelf’ niet altijd als twee geheel verschillende zaken kunnen worden herkend, maar in elkaar overlopen.

“Zorg dragen voor zichzelf raakte gekoppeld aan een voortdurende schrijfactiviteit. Het zelf werd stof tot schrijven, een thema of onderwerp ‘subject’ om over te schrijven. Dat is geen moderne gewoonte die uit de Reformatie of de Romantiek stamt; het is een van de oudste westerse tradities, die geheel ingeburgerd en diep geworteld was toen Augustinus aan zijn ‘Belijdenissen’ (confessiones) begon. (p. 48)”

Welke student verpleegkunde herkent zich niet in ‘de voortdurende schrijfactiviteit’? En als reflectie een middel is tot waarheidsbevinding én tot zorg voor ‘het zelf’, hoe kan ik het dan laten om ‘het werk mee naar huis te nemen’? Houden mijn gedachten op bij het verlaten van de voordeur van de instelling? Dat studenten en zorgverleners geraakt worden door mensen (letterlijk en figuurlijk!)  lijkt me duidelijk. Maar wat doet dat met ons? En misschien ook: wat vinden we dat dat met ons mag doen?

Becker, H.M. (2006). Levenskunst op leeftijd. Gelukbevorderende zorg in een vergrijzende wereld. Delft: Eburon

Foucault, M. (1996). Breekbare vrijheid. De politieke ethiek van de zorg voor zichzelf. Alkmaar: Boom

Hoekstra, H. J., van Meijel, B. & van der Hooft-Leemans, T. G. (2009). A nursing career in mental health care: Choices and motives of nursing students. Nurse education today. (article in press) [DOI] [Pubmed] [HANlink]

van Heijst, A. (2008). Menslievende zorg. Een ethische kijk op professionaliteit. Kampen: Klement

Advertenties
Getagged , , , ,

6 thoughts on “Hoe kan je dit werk doen zonder het ‘mee naar huis te nemen’?

  1. Annemiek schreef:

    Ken je de theory of caring van Watson? Dat is een theorie waar ik mezelf wel in kan vinden.

    Ik ken mensen die eraan onderuit zijn gegaan, maar op den duur leer je ermee omgaan. Hoe en wat precies; ik heb het mezelf vaak gevraagd maar heb nog geen antwoord. Ik merk wel dat, als er erg moeilijke voorvallen zijn, het me helpt om te schrijven. Het gekke is echter dat ik, als ik het een jaar later of zo nog eens nalees, ik zeg o ja. Het voorval of patient is dan alweer bijna vergeten, in ieder geval de details. Je bent heel intensief bezig, op dat moment ben je er helemaal voor die patient. Een week later moet ik toch wel heel hard denken wie het ook alweer was. Afstand nemen voor mij kan helpen om met andere verpleegkundigen te praten, of tegen mijn man (die luistert maar het niet na zou kunnen vertellen :)

    De nieuwe verpleegkundigen praten ook altijd over “client” en niet patient. Dat leren ze op school. Ik weiger om daaraan mee te doen. Het maakt het me te onpersoonlijk om mensen hetzelfde te behandelen als een winkelmeisje een klant in een winkel.

  2. Bram Hengeveld schreef:

    Hehe, zou het schrijven van dit blog onbewust iets zeggen?

    Watson’s theory of Caring heb je me in een vorige reactie eens aanbevolen, waarop ik er eens op ben gaan googlen. Interessant!

    Ironisch genoeg lijkt het er dus op dat ‘vergeten’ een belangrijk aspect is van het vak? Heeft Nietzsche daar geen interessante dingen over geschreven?

    Het woord cliënt is helemaal ingeburgerd hiero. Maar ik geef toe ook moeite te hebben met de ‘financiële’ connotatie ervan. Een hoofdverpleegkundige over ‘klant’ horen spreken vond ik nog even een brug te ver. Maar ik denk ook dat er een anti-paternalistische beweging in te herkennen is. In het ziekenhuis is men patiënt, in de thuiszorg een cliënt.

    Wat roept de term ‘patient’ bij je op dat anders is dan ‘cliënt’, afgezien van het ‘zakelijke’ aspect?

    Ook interessant: men heeft onderzoek gedaan naar de hersenfuncties mbt het beleven van pijn bij een patiënt bij jonge artsen en oude rotten, waaruit blijkt dat oude rotten wat ‘systematischer’ reageren op pijn qua hersenchemie. Jonge artsen trekken het zich wat makkelijk gezegd iets meer aan.

  3. Annemiek schreef:

    Ik was het vergeten dat ik Watson al eerder had aangehaald. Dat vergeten moet niet erger gaan worden (vanmorgen een afspraak vergeten, oei). Shame on me, Nietzche heb ik nooit gelezen.

    Kan wel waar zijn dat klant wat minder paternalistisch is. Maar een patient hoeft ook met de naam patient niet betuttelt te worden maar kan als gelijke behandeld worden. Het is inderdaad het zakelijke van client dat me tegen staat. Maar ook, wat maakt dat ons? Dienstmeisjes? Noemt een arts een patient ook een klant?

    Dat onderzoek hoe oude rotten en nieuwelingen reageren op iemands pijn; ik denk dat ik dat wel herken. Ik wil iemands pijn ook zo snel mogelijk verlichten, maar bekijk eerst de hele situatie (welke oorzaak, hoe werkt de medicatie, suggesties geven aan de arts voor hogere dosering of andere medicatie) . Een nieuwe pleeg zal meteen de medicatie aandragen. Iemand met ervaring zal meer naar het hele beeld kijken.

  4. Annemiek schreef:

    Hint hint :)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: