Evidence based keukenprinsessen. Een broodje aap alstublieft, met therapeutische saus.

keukenprinses copy

“Verplegen houdt zich bezig met de gevolgen van een psychisch of somatisch probleem en richt zich niet op het wegnemen van de oorzaken daarvan. De verpleegkundige komt sterker in beeld naarmate de medische wetenschap meer faalt. In hun werk worden verpleegkundigen met levensvragen, existentiële vragen geconfronteerd.”

Bovenstaande is een citaat uit het artikel ‘Verplegen als existentiële ervaring en de verlokkingen van de evidence-based keukenprinses’. (de Vocht & Burger, 2009) Het artikel is een verkorte weergave van de afscheidsrede van Gerard Burger, docent gedragswetenschappen aan Saxion Hogescholen. Ik heb slechts twee keer les van hem gehad en dat is eigenlijk wel jammer, want ik vond hem een intrigerende verschijning: een levende boekenkast op sandalen met een zacht karakter.

Maar terug naar het citaat. Het zijn enkele woorden uit zo’n vier pagina’s tekst, die vrij kernachtig weergeven waar de rest over gaat. Maar er wordt volgens mij dan ook nogal wat beweerd in het kleine stukje. Ten eerste lees ik een duidelijke definiëring van de kern van het beroep in de zinsnede ‘en richt zich niet op het wegnemen van de oorzaken daarvan’. Het  gaat puur om de gevolgen van een somatisch of psychisch probleem. In eerste instantie vroeg ik me af of wondzorg dan eigenlijk wel voor verpleegkundige zorg kan doorgaan. Immers: is wondzorg niet ook het wegnemen van een oorzaak? Als de wond niet verbonden zou worden, zou het zéér waarschijnlijk flink misgaan. Daar valt wellicht tegenin te brengen dat het proces van wondheling een ‘lichaamseigen’ proces is dat hooguit vertraagd kan worden, maar niet versneld. Het is het lichaam dat de wond geneest. Wondzorg is dan louter het creeëren van een ‘omgeving’ waarin de wondkan genezen. Het probleem van de noodzaak tot wondzorg door een verpleegkundige kan wellicht ook gevolg zijn van andere oorzaken dan de wond zelf, zoals een neurologische aandoening die de persoon in kwestie belet om de wond zélf te verzorgen. Wellicht kan men over dit soort zaken doorbomen tot men een ons weegt, maar daar heb ik nu geen zin in. Voorlopig denk ik dat de Burger’s  statement over de verpleegkunde, die volledig van de ‘cure’ losgerukt lijkt te worden en volledig in ‘care’ wordt geplaatst, goed te verdedigen is.

Interessant is ook een andere aspect van de verpleegkunde dat Burger naar voren laat komen: de samengang met wetenschap. Die is volgens Burger nogal problematisch. Hiervoor stelt hij twee redenen: het fraudeprobleem, waarbij wetenschappelijke gegevens bewust of onbewust worden gemanipuleerd en het chaosprobleem, dat het reductionistische karakter van de wetenschap tegenover de complexe realiteit van alledag stelt. Wetenschap deelt het leven op in kleine, definieerbare en meetbare grootheden en die gegevens zijn lang niet altijd volledig genoeg om een ‘evidence based’ beeld van de gehele werkelijkheid te geven. Ergo: de verpleegkunde kan niet (alleen) gebouwd worden op een zuiver wetenschappelijk fundament, omdat dit een ontoereikende hoeveelheid informatie zou verschaffen, zeker als de gouden standaard van het (dubbelblind) gerandomiseerd onderzoek (RCT) wordt gehandhaafd. Let wel: Burger lijkt zeker niet te pleiten voor een minachting van de wetenschap! Zo schrijft hij bijvoorbeeld:

“[…] de elementen die zich wel lenen voor wetenschappelijk onderzoek zouden veel meer in het vizier moeten komen.”

en:

“[…] onderzoek dat buitengewoon relevante resultaten kan opleveren zoals niet scheren voor operaties en wat je wel en niet moet doen bij decubitusverzorging. Het gaat hierbij echter om afzonderlijke handelingen waarbij het niet uitmaakt wie ze toepast.”

Het lijkt er om te gaan dat wetenschap wordt toegepast als instrument, niet als leidraad. Dat laatste zou indruisen tegen de opvatting dat mensen ‘uniek en onvoorspelbaar zijn’. Alle evidence based richtlijnen ten spijt; het levert hooguit optimale spijkers en planken. Maar om een mooi huis van de verpleegkundige praktijk te bouwen is ‘intuitief’ vakmanschap minstens net zo belangrijk.  Verpleegkunde is de praktijk van de samenkomst van twee unieke wezens, waarbij onvoorspelbaarheid een basiskenmerk is van de omgang. Verplegen als existentiële ervaring dus. Het bestaan (van de relatie) is de kern. Hierbij zijn andere instrumenten van toepassing om tot waarheidsbevinding te komen dat de zuiver wetenschappelijke. Reflectie wordt bijvoorbeeld genoemd om de dagelijkse praktijk transparant te maken.

Even resumerend: a.) verpleegkunde is een deels onwetenschappelijk beroep, waarbij ruimte voor de existentiële (bestaans-)ervaring noodzakelijk is en b.) verpleegkunde is in essentie een beroep dat zich bezighoudt met de gevolgen van problemen, niet het wegnemen van oorzaken. De evidence based keukenprinses dient haar keukenhulpen (aka verpleegkundigen) waar nodig van goede receptuur te voorzien, maar ohwee als ze meent de complete maaltijd te kunnen bereiden! Dan lopen de zaken spaak.

Er wordt nog veel meer interessants gesteld in het artikel, maar bovenstaande zaken vond ik nogal sprekend voor een ander aspect van de gezondheidszorg dat me bijzonder interesseert: alternatieve therapieën. Ik zal de hierboven beredeneerde stellingen over verpleegkunde voor mijn karretje spannen om enkele kritische vragen te stellen bij een aspect van de verpleegkunde: een schijnbare vooringenomenheid met alternatieve of ‘non-orthodoxe’ therapieën. Cheryl Dileo bijv. (klikkerdeklik voor een blogpost over haar) stelde in een lezing dat verpleegkundigen meer dan andere beroepsgroepen binnen de gezondheidszorg openstaan voor muziektherapie. Daarmee wil ik niet zeggen dat muziektherapie ‘alternatief’ is, maar het geeft aan dat verpleegkundigen ‘open staan’, voor dergelijke zaken. Ook herkennen we binnen het vak zelf een neiging tot alternatieve therapieën, waarbij in het bijzonder ‘Therapeutic Touch’ in de aandacht staat. Therapeutic Touch is in de jaren ’70 ontwikkeld door verpleegkundige en onderzoekster Dolores Krieger, nadat deze begon samen te werken met Dora Kunz, een helderziende. (Leskowitz, 2003) Dolores Krieger was lid van de verpleegkundige faculteit van New York University. Binnen Nederland wordt TT momenteel gepromoot door de afdeling complementaire zorg van de V&VN.

Therapeutic Touch

Het basiselement bij Therapeutic Touch (TT) ligt in de hypothese dat ieder mens een energieveld (Human Energy Field, HEF) heeft, dat verstoord kan raken. Deze energievelden zijn waarneembaar via de handen en via de handen kunnen verstoringen in het energieveld worden opgelost. Hierbij zijn de positieve gedachten van de verpleegkundige ook belangrijk: deze zijn (mede) oorzaak van de opheffing van een verstoring van het menselijke energieveld. In 1998 verscheen een publicatie door Rosa, Rosa & Sarner (1998) waarin een van de basisaannamen van Therapeutic Touch, het door een TT beoefenaar waarneembare energieveld van een persoon onder de loep werd genomen. Om de hypothese te testen of de aanwezigheid van dit energieveld (laat staan verstoringen) ook daadwerkelijk vastgesteld kan worden voerden ze het volgende experiment uit: ze lieten  21 TT beoefenaars onder geblindeerde omstandigheden ‘voelen’ of er een hand boven hun linker- of rechterhand werd gehouden. Mocht de hypothese dat TT beoefenaars inderdaad in staat zijn om een energieveld waar te nemen dan zouden ze in 100% van de gevallen de juiste hand moeten raden. Ik vraag me af of die eis te hoog is, maar het is duidelijk dat, gezien het feit dat men twee handen heeft het vrij makkelijk is om te bepalen of ze significant beter scoren dan 50%, de grens waarbij er net goed sprake kan zijn van gokken (immers: links of rechts levert een kans op goed gokken van 50%). Hieronder een afbeelding van de proefopstelling:

 TT

Niet geheel verassend faalden de TT beoefenaars jammerlijk en konden ze niet aantonen daadwerkelijk in staat te zijn een HEF waar te nemen via de handen.

Kritiek werd geleverd, bijvoorbeel door Franklin D. Tall (Tall, 2003): Het negenjarig meisje op de wetenschapsbeurs waar het experiment gehouden werd zou wel eens beïnvloed kunnen zijn door de proefnemers die kritisch tegenover TT staan. Door niet te geloven in TT blokkeerde ze onbewust haar HEF. Ook het moeten voelen of het om links of rechts ging, zou problematisch zijn; het zou wel eens moeilijk kunnen zijn om het verschil te voelen, aangezien het HEF meer alom waarneembaar is. Een beter experiment zou zijn om iemand in of uit de kamer te laten lopen, waarop de TT beoefenaar zou moeten waarnemen (raden?) of de persoon in kwestie zich wel of niet in de kamer bevindt.  Ik vraag me af hoe dit zich verhoudt tot de wijze waarop TT doorgaans beoefend wordt, dus met de handen enkele centimeters boven het lichaam. Verder worden de mogelijkheid van de implementering van beweging over het lichaam of het nemen van ‘aura’ foto’s als mogelijkheden voor verder onderzoek aangegeven.

Alhoewel ik niet wil beweren dat de kritiek op de methode van het onderzoek onterecht is, wanneer we deze bekijken door de bril van de TT beoefenaar, vraag ik me af wat er van de claims overblijft als we deze door een meer skeptische bril bekijken. Waarop baseren zij zich als ze menen dat de mens een energiesysteem heeft dat op een dergelijke manier waarneembaar is? Of de claim dat via beïnvloeding van dit energieveld ongemakken zijn te genezen? Zijn verstoringen in het energieveld dus een oorzaak van de ongemakken? Dit a priori allemaal aannemen lijkt me wat makkelijk. Tuurlijk, er zijn vele, duizenden jaren oude geneeswijzen waarin het energieveld van de mens centraal staat. Leskowitz geeft zelfs aan dat de westerse (allopatische) geneeskunde de enige ter wereld is waarin dit energieveld geen rol speelt! Maar ergens vind ik duizenden jaren oude hypothesen niet betrouwbaarder dan nieuwere, alleen vanwege het feit dat ze oud zijn.

Een ander belangrijk punt: houdt TT zich bezig met ‘genezing’ (of, in meer eufemistische termen ‘healing’)? Is dit een kwestie van ‘schoenmaker blijf bij je leest’? Dient een verpleegkundige zich hiermee bezig te houden? Volgens mij zijn er genoeg andere zaken te doen, dan het uitvoeren van onbewezen rituelen ter genezing, die gebaseerd zijn op zeer wankele basisaannamen. De bewijslast ligt in ieder geval bij de beoefenaar van deze vorm van ‘alternatieve’ of ‘integratieve’ therapieën.

Het wordt dus tijd dat V&VN complementair met wat beters komt dan:

“Therapeutic touch is gebaseerd op de gedachte dat de mens een energieveld heeft, dat in gezonde toestand op een evenwichtige en symmetrische manier in beweging is. Ziekte en klachten zou men in dit energieveld als asymmetrie terug kunnen vinden.
Het doel is het zelfgenezend vermogen van de patiënt te stimuleren.
Het is een bewust gestuurd proces van energie-uitwisseling met de intentie te helpen helen en waarbij de behandelaar de handen als instrument gebruikt. Er is zeker nog een bepaalde terughoudendheid bij een aantal instellingen om deze aanvullende techniek toe te staan.”

Ten eerste is het de vraag of dit überhaupt binnen het domein van de verpleegkunde thuishoort. Ook is de claim dat ‘het doel van TT bevordering van het zelfgenezend vermogen is’ testbaar. Zijn er bijvoorbeeld geen betere alternatieven om dit te bereiken? Ook vind ik het frappant te bedenken dat, als we de ‘energetische zinspelingen’ uit de beschrijving wegdenken, er een redelijke omschrijving van de verpleegkunde overblijft: bewust werken met de handen, om zelfgenezend vermogen te stimuleren, al zou ik i.p.v.  ‘zelfgenezend’ eerder kiezen voor ‘zelfzorgend’. Zoals in het artikel door de Vocht & Burger wordt gesteld: de gezondheidszorg zou erop gericht moeten zijn zorg zo snel mogelijk te beëindigen. De toevoeging van een ‘energieveld’ als centraal kenmerk van een verpleegkundige interventie vraagt dus de nodige uitleg, waarbij, gezien het ‘genezende’ karakter, wetenschappelijk onderzoek aangewezen is.

Ten tweede dient TT dus rigoreus te worden onderzocht, aangezien het beslag legt op tijd van verpleegkundigen, hetgeen een bijzonder schaars goed is. Als we daarbij bedenken dat het NCCAM de afgelopen jaren zo’n tweeëneenhalf miljard dollar heeft uit kunnen geven aan onderzoek naar alternatieve geneeswijzen zonder ook maar een sikkepit bewijs te vinden voor de werking ervan zie ik het somber in voor de TT-beoefenaren.

Ik zie overheidssubsidies in ieder geval liever ergens anders heen gaan. Het leuke van evidence based keukenprinsessen is dus dat ze, ondanks hun onmogelijkheid om de verpleegkunde te definiëren, wél de rotte appels uit de voorraadkast kunnen halen, hetgeen voorkomt dat patiënten broodjes aap voorgeschoteld krijgen. Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat TT zo’n broodje aap is.

de Vocht, H. & Burger, G. (2009). Verplegen als existentiële ervaring en de verlokking van de evidence based keukenprinses. afscheidsrede gerard burger. Verpleegkunde, (2):20-23.

Leskowitz, E. (2003). Controversies in therapeutic touch. Seminars in Integrative Medicine, 1(2):80-89.

Rosa, L., Rosa, E., Sarner, L., &Barrett, S. (1998). A close look at therapeutic touch. JAMA : the journal of the American Medical Association, 279(13):1005-1010. [Pubmed] [Fulltext] [PDF]
 
Tall, F. D. (2003). A close look at ä close look at therapeutic touch”. Nursing outlook, 51(3):126-129. [Pubmed]
Advertisements
Getagged , , ,

One thought on “Evidence based keukenprinsessen. Een broodje aap alstublieft, met therapeutische saus.

  1. […] oliën, kruiden, ontspanningsoefeningen en therapeutic touch dus. Kwakzalverij? Wat betreft therapeutic touch kunnen we dat denk ik met een gerust hart zeggen. Ik weet niet waar men ethetische oliën voor wil gebruiken, maar ook dit valt snel binnen het […]

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: