Verplichte kost: Peter Singer’s ‘Tussen dood en leven’

Om maar met de deur in huis te vallen: dit boek is schokkend. Singer schrijft zelf:

Veel mensen zullen de ideeën zo schokkend vinden dat zij die niet eens serieus kunnen nemen. (pag. 175)

Dit geldt voor de gedachten van Singer in het algemeen; zo werd een Duitse conferentie waarop hij zou spreken vlak van te voren afgelast: er werd protest aangetekend door mensen die in zijn ideeën de zo gevreesde Nazi praktijk terug dachten te zien.

Voor velen zal het boek op z’n minst baanbrekend zijn. Even geleden blogde ik al over het boek, dat ik tijdens een prettig verblijf in de belgische Ardennen soldaat had gemaakt, met de belofte een kleine bespreking ervan te doen.

Bij deze dus:

Peter Singer’s ‘Tussen dood en leven; de teloorgang van onze traditionele ethiek’.

Maar allereerst een weinig informatie over de auteur Peter Singer(1946): De in Australië geboren filosoof studeerde in 1967  af aan de universiteit van Melbourne, waar hij twee jaar later zijn Masters degree haalde. Tegenwoordig is hij professor aan de Princeton universiteit in de VS.
Singer heeft een flinke waslijst aan boeken en artikelen geschreven, waarin hij zijn utilitaristische standpunten uiteen zet. Zo ook in ‘Tussen dood en leven’.

Singer bindt in negen hoofdstukken, opgedeeld in drie delen de strijd aan met enkele van onze diepste overtuigingen en normen en waarden, daarbij voor de Nederlands sprekende wereldbevolking geholpen met een vertaling door Mieke Maassen.

Het eerste deel ‘een twijfelachtig einde’ is een bespreking van de hedendaagse opvatting van de dood en de problemen die er bij zijn ontstaan. Wanneer is iemand ‘dood’? Ook maakt hij een begin van de uiteenzetting van de vraag: kunnen we op basis van kwaliteit van leven overwegingen maken over het in laten treden van de dood? Met heftige casuïstieken schets Singer de in zijn ogen scheefgegroeide samengang van oude ethische waarden en nieuwe technologie.

In het tweede deel ‘afbrokkelende waarden’, wordt de ‘heiligheid van het leven’ door Singer verder aan de tand gevoeld. Hij behandelt ook de vraag ‘wanneer begint (menselijk) leven’? En ‘mogen we dit weghalen?’ (abortus) En zo ja: ‘wanneer kan dit wel en wanneer niet meer?’. Voor- en tegenstanders van abortus (resp. de pro-choice en de pro life beweging) krijgen links en rechts om de oren, vanwege hun halfslachtige en eenzijdige denkwijzen op dit gebied. Het duidelijkst komt dit naar voren in het syllogisme dat Singer voorstelt als formele beredenering van het anti-abortusstandpunt (pag. 98):

1. Een onschuldig menselijk leven mag niet worden beëindigd
2. De ongeboren vrucht is vanaf het moment van bevruchting onschuldig, menselijk en levend.

conclusie: Het leven van de ongeboren vrucht mag niet worden beëindigd. (en abortus dient verboden te worden)

Formeel gezien is deze redenering geldig. (met een kleine aanpassing zou ook het vraagstuk rondom euthanasie uit kunnen worden gebeeld) Als premisse 1 en 2 waar zijn, dan is de conclusie correct. Willen we de conclusie (abortus mag niet) verwerpen, dan zal minimaal één van de twee premisses verworpen moeten worden.
Volgens Singer valt de pro-choice beweging doorgaans de tweede premisse aan, door te betuigen dat de ongeboren vrucht niet zo levend of menselijk is als en geboren vrucht. Deze redenatie wordt met verve door Singer ondermijnd, steunend op de uiteenzettingen van de voorgaande hoofdstukken.

In plaats daarvan stelt hij voor om de eerste premisse te verwerpen, hetgeen er op neer komt dat Singer stelt dat ‘levend zijn’ niet genoeg ethische waarde bezit om zonder meer in leven te worden gehouden.

De rest van deel II besteedt hij aan het uiteenzetten van ‘oordelen op grond van kwaliteit van leven’, waarbij de voor Singer onaanvaardbare scheidslijn tussen niet-behandelen, of behandelen gericht op het sterven (kort door de bocht: palliatieve sedatie waarbij levensverkorting optreedt) en actieve veroorzaking van de dood (euthanasie, hulp bij zelfdoding) aan de orde wordt gesteld. In hoofdstuk 7 ‘Sterven op verzoek’, komt Nederland veel aan de orde, gezien de vooruitstrevende kijk op euthanasie.

Bottom line is dat de kwantiteit van het leven (het wel of niet in leven zijn) heeft dus afgedaan voor Singer om ethische beslissingen op te baseren.

Deel III, dat uit één hoofdstuk bestaat genaamd ‘In plaats van de oude ethiek’, is feitelijk een voorstel voor verwerping van de halfslachtige gedachten over dood en leven en de beschermwaardige heiligheid ervan. Singer stelt vijf nieuwe ‘geboden’ voor, waarbij vijf oude de prullenmand in moeten:

eerste oude gebod: Behandel elk menselijk leven gelijkwaardig
eerste nieuwe gebod: Erken verschillen in de waarde van menselijk leven

Het eerste nieuwe gebod stelt dus de kwaliteit van leven boven de aanwezigheid (kwantiteit) van leven. Het is beter voor sommige mensen om te sterven, gezien hun vooruitzichten.

Tweede oude gebod: Maak nooit doelbewust een eind aan onschuldig menselijk leven
Tweede nieuwe gebod: Neem verantwoordelijkheid voor de consequenties van uw beslissingen

Het tweede nieuwe gebod is gericht op de tweeslachtigheid van het verschil tussen ‘afzien van behandeling’ en ‘euthanasie’. We dienen in te zien dat beslissingen van leven en dood ook genomen worden bij de bepaling om ‘niet te behandelen’, of wanner versterving van een mens (al dan niet een persoon) als hoofddoel van de behandeling
wordt gezien. We beëindigen in beide gevallen een leven. Maar het tweede nieuwe gebod gaat verder dan alleen de artsenpraktijk, zoals bij de bespreking van het vierde gebod duidelijk zal worden.

Derde oude gebod: Maak geen eind aan uw eigen leven en probeer altijd te voorkomen dat anderen een eind aan hún leven maken.
Derde nieuwe gebod: Respecteer iemands wens om te leven of te sterven

Dit behoeft weinig toelichting behalve dan een verwijzing naar de praktijken van dr. Jack Kevorkian (pag. 126 e.v.) in Michigan, die een pionier was op het gebied van hulp bij zelfdoding van zeer ernstig zieke personen. Hierbij werd hij gedwongen zich te behelpen in laadruimtes van bestelauto’s, ondanks dat hulp bij zelfdoding niet wettelijk strafbaar was in die tijd in Michigan.

Vierde oude gebod: Weest vruchtbaar en wordt talrijk
Vierde nieuwe gebod: breng alleen gewenste kinderen ter wereld

Dit gebod is naar mijn idee een voortvloeisel van het eerste en het tweede gebod. Singer neemt voor de uiteenzetting van het vierde gebod ook de huidige wereldbevolking en diens beslaglegging op het milieu mee; het is onethisch om vanuit de tegenwoordige bevolkingsgroei en masse voort te planten, aangezien we daarmee onherroepelijk een beslissing nemen over een ander deel van de wereldbevolking, waarbij we de consequenties van ons handelen moeten aanvaarden en meenemen in onze ethische overweging.

Vijfde oude gebod: Menselijk leven is meer waarde dan niet menselijk leven
Vijfde nieuwe gebod: maak geen onderscheid op basis van soort.

Kwaliteit van leven staat voor Singer op een belangrijke plaats, zo hebben we gezien. Een ander belangrijk onderdeel van zijn filosofie is de ‘persoon’, zoals hierboven beschreven in de definitie van Locke. We weten dat bepaalde mensen door beschadiging van de hersenen minder ‘persoon’ zijn dan bijvoorbeeld een aap of een varken. Aan het begin van hoofdstuk acht beschrijft Singer dit (enigszins indirect) bijzonder duidelijk en indringend met de schets van een bepaalde levensgemeenschap. (ik zal de clou niet verklappen).
Door de eeuwen heen zijn enkele basisovertuigingen van de (westerse) mensheid hopeloos verouderd geraakt: niemand zal met zinnigheid beweren dat de aarde het middelpunt van het zonnestelsel of het heelal is. Niemand zal met zinnigheid beweren dat het houden van slaven of het minderwaardig behandelen van vrouwen of anders gekleurden niet verwerpelijk is. Toch waren het ooit vaste onderdelen van ons gedachtengoed. In het rijtje slaaf, vrouw, kleurling wil Singer dus ook ‘soort’ opnemen. (Singer staat ook bekend om zijn in 1975 verschenen boek ‘Animal Liberation’, waarin hij de strijd aanbindt met de vaak verwerpelijk behandeling van dieren in bijvoorbeeld de bio-industrie. Het moge duidelijk zijn dat Singer een sterk vegetarisch dieet voorstaat, iets waar ondergetekende zich volledig in kan vinden)

Een groot deel van het boek is dus vrij polemisch. Oude ethische pijlers, zoals de ‘heiligheid van het menselijk leven’ worden door Singer scherp op de korrel genomen. Hij doet dit aan de hand van enkele zeer schrijnende voorbeelden uit de medische praktijk, waarbij vragen van leven en dood door bijzonder tegenstrijdige gedachten en onder mensonterende omstandigheden beantwoord (moeten) worden. En laat gezegd zijn: lang niet altijd met bevredigend resultaat, dankzij feitelijk halfslachtige wetgeving, gebouwd op achterhaalde ethische principes. Aldus Singer.
Singer’s boek moet naar mijn idee gezien worden in de context van de voortschrijdende (medische) techniek en maatschappelijke ontwikkelingen van de laatste decennia. Aan beide zijde van het leven heeft de mens een gigantische invloed weten te scheppen: de levenverwachting is de laatste eeuw spectaculair gestegen (we worden stokoud) en de levensvatbaarheid van prematuren is rond een leeftijd van 26 weken tegenwoordig behoorlijk te noemen. Met hetzelfde spreekwoordelijke ‘gemak’ kunnen we echter ook embryo’s en foetussen aborteren en zeer zieke mensen ter dood brengen. Maar ook zijn we in staat om hersendode of diep comateuze mensen volledig kunstmatig in leven te houden. Jaren lang. De door Singer als belangrijke pijler geziene definitie van ‘een persoon’, zoals beschreven door de filosoof John Locke is voor hem van groot belang.

Een denkend, intelligent wezen met het vermogen tot redelijk denken, dat in staat is zichzelf als zichzelf te ien, als datzelfde denkende wezen op verschillende tijdstippen en plaatsen” (pag. 152)

Maar ook beslissingen die snel genomen moeten worden maken onderdeel van de ethische kwesties die worden opgeroepen door de medische wetenschap. Op pagina 46 schetst Singer de volgende situatie:

“Een baby met een ernstige hartafwijking moet in het ziekenhuis in leven worden gehouden met behulp van kunstmatige beademing en medicatie. De vooruitzichten zijn hopeloos vanwege de ernst van de hartafwijkingen van de baby, die op die afwijking na kerngezond is.
In een aangrenzend bedje op Intensive Care ligt een andere ernstig zieke baby: een aantal afwijkende bloedvaten in zijn hersenen waren gesprongen, waardoor de hersenschors compleet beschadigd is geraakt. De hersenstam echter functioneerde nog gedeeltelijk, waardoor de baby met behulp van beademingsapparatuur in leven kon worden gehouden en er van een hersendoodverklaring geen sprake kon zijn. In het ene bedje ligt dus een gezonde baby met een ernstige hartafwijking en in het ander bedje een baby waarvan de hersenschors dood was, maar het hart normaal functioneerde. Ze hebben dezelfde bloedgroep, waardoor transplantatie (weer een medisch-technologische vooruitgang) goede vooruitzichten kent.
Korte tijd later zijn beide baby’s echter dood, zonder dat men iets heeft kunnen doen. Dit in verband met de wetgeving, die verbiedt dat het hart getransplanteerd wordt naar de ‘gezonde’ baby met hartafwijking.

Voor utilitarist Singer is dit natuurlijk een stevige trap tegen het zere been. De gehanteerde waarden en normen in bovenstaande casus zorgen voor een uitkomst waarin alles voor niets is, terwijl één van de baby’s, dankzij de hedendaagse medische technologie had kunnen worden gered.

Naar mijn idee levert Singer in ‘tussen dood en leven’ vrij solide argumenten voor instrumenten om de vragen van vandaag en morgen te beantwoorden. Vragen waar we, gezien de vooruitzicht van bijvoorbeeld het voorkomen van Alzheimer en het verregaand in leven kunnen houden van oude personen antwoorden op zullen moeten vinden, als we kwaliteit van leven als speerpunt van onze ethische besluiten willen blijven hanteren, hetgeen volgens Singer dus het enige werkbare aspect is van leven om ethische beslissing op te baseren. ‘Tussen dood en leven’, in feite al een enigszins oud boek, blijft een bijzonder actueel boek, dat naar mijn idee gemeengoed zou moeten zijn in de boekenkasten van iedereen die zich bezighoudt met leven en dood.

Bron:
Singer, Peter (1997): Tussen dood en leven; de teloorgang van onze traditionele ethiek. Utrecht: Jan van Arkel. ISBN: 90 6224 377 0

Advertenties

2 thoughts on “Verplichte kost: Peter Singer’s ‘Tussen dood en leven’

  1. […] is: iedereen wil kwaliteit van leven. Niemand wil een extreem slechte kwaliteit van leven. Ik blogde eerder over het boek ‘Tussen dood en leven‘ van Peter Singer, dat een voor sommigen zeer […]

  2. […] is in toenemende mate in de picture gekomen. De dierenrechtenbeweging, gesteund door filosofen als Peter Singer lieten zich op verschillende wijze horen. Een boek dat ik in deze van harte aan kan raden is ´De […]

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: