Mevrouw heeft een plekje op haar stuit…

Alarmbellen!

Decubitus, wie heeft er niet van gehoord of ermee te maken gehad tijdens de opleiding, stage of het werk? Het lijkt me niet onwaarschijnlijk dat iedere student verpleegkunde een client met decubitus meemaakt. Tijd voor een kijkje in een aantal literatuur- en internetbronnen.

Het goede nieuws is dat in 2007 de Landelijke Prevalentiemeting Zorgproblemen (LPZ) uitwees dat de prevalentie van decubitus gedaald was t.o.v. het jaar daarvoor, m.u.v. de Academische Ziekenhuizen (AcZ)(Halfens et al., 2007 p. 32). Het slechte nieuws is natuurlijk dat het voorkomt. Ergens is het niet verwonderlijk, aangezien driekwart van de patienten in een AcZ een verhoogd risico loopt op decubitus en de helft van de clienten in de verpleeghuizen en thuiszorg. (pag. 30)

[noot: waar in de tekst tussen haakjes wordt verwezen naar een pagina nummer (pag. x) wordt Halfens et al. 2007 bedoeld]

Er zijn een aantal interessante zaken uit het onderzoek naar decubitus te halen. (met wat extra aandacht voor de thuiszorg van mijn kant)
Ten eerste: decubitus graad 1 wordt verondersteld slecht gediagnosticeerd te worden,(pag. 31) hetgeen de prevalentie van graad 2 en hoger een meer betrouwbaar gegeven maken. In een onderzoek door Schoonhoven et al. (2002) kwam men tot de conclusie dat het gebruik van de drie standaard methoden (Braden, Norton, Waterlow) geen voordeel opleverde bij het voorkomen van tweede graads decubitus t.o.v. een controle groep. Nieuw onderzoek moet betere methoden opleveren. En dat is dus hard nodig.
Een gedegen behandeling van 1e graads decubitus lijkt me pijnlozer, goedkoper en makkelijker voor alle partijen.
Daarbij zijn de kosten voor decubitus niet mals.(in 2003 is er zo’n 90 miljoen euro uitgegeven aan de behandeling van decubitus)
Een ander aspect dat het onderzoek heeft gevonden is het feit dat vooral het behoren tot de risicogroep (score van 20 of lager op de bradenschaal) een bepalende factor is in het wel of niet ontwikkelen van decubitus, niet het soort instelling waar men zorg ontvangt.
Een voor de thuiszorg treffend iets vind ik het verschil in prevalentie tussen mannen en vrouwen. Die van de mannen is bijna twee maal zo hoog, en dat blijft het ook na correctie voor eerste graads decubitus. Bij de andere soorten instellingen is van een dergelijk verschil geen sprake: (TZ=Thuiszorg)

Halfens et al. 2007, p.32. Klik op de afbeelding voor een grotere weergave.

fig. 1: Prevalentie van decubitus in 2007 naar geslacht. Bron: Halfens et al. 2007, p.32. Klik op de afbeelding voor een grotere weergave.

Andere voor de thuiszorg kenmerkende zaken zijn dat met name een aandoening van het zenuwstelsel (excl. CVA’s) een risicofactor is (pag. 34)en het gegeven dat met name in de thuiszorg vaker de meer ernstige vormen (graad 3 en 4) voorkomen (pag. 35). Ook is het grootste deel van de langdurige wonden te vinden in de thuiszorg (20% van de wonden die langer dan een jaar duren. zie pag. 36).
Hierover wordt verder niet uitgewijd, maar ik ben wel benieuwd naar mogelijke verklaringen voor deze bevindingen.

Defloor et al. (2005) leveren voor de thuiszorg positief bewijs naar mijn idee. Hun bevindingen wijzen erop dat het toepassen van een drukverlagende (viscoelastische) matras inc. wisselligging om de vier uur een significante reductie van het aantal decubitusgevallen tot gevolg had, in vergelijking met standaard instituutmatrassen en meer frequente wisselligging (2 en 3 uur). In de thuiszorg, waarbij reistijd een beperkende factor kan zijn, is dit natuurlijk erg praktisch: minder tijd, meer profijt.In Amerika (waar anders) zijn al gevallen geweest waarbij instellingen aangeklaagd zijn voor nalatigheid m.b.t. decubitus. (Levine et al., 2008) Zij gebruiken daarbij dan nogal eens een camera, om de wonden te fotograferen.
Andersom kan het natuurlijk ook.
Ik ben al een tijd benieuwd naar de mogelijkheden van het gebruik van digitale camera’s, als het gaat om communicatie naar behandelaren. Digitale camera’s worden steeds handzamer en beter en het versturen van een email is vlot gedaan. Ik kan me ook voorstellen dat het in de toekomst mogelijk is om wonden dan met behulp van een computer te analyseren. Tot die tijd is het onderzoek gedaan naar de effectiviteit van ‘photoassessments’ ook veel belovend. (bijv: Houghton et al., 2003)
Rajendran et al. (2006) geven aan dat het gebruik van digitale beeldtechniek het herkennen van eerste graads decubitus zelfs kan verbeteren:

“Preliminary results clearly indicate that the enhanced images exhibit higher contrast and make the pressure ulcer site more conspicuous to the examiner. The experiments show promising results even for subjects with black and dark brown skin colors.”

Het LEVV biedt overigens hulp in de vorm van hun ‘Decubitushandwijzer voor verzorgenden’ en andere fraaie publicaties, zoals een hele serie illustraties over verschillende houdingen, een clientenfolder en een overzicht van de verschillende gradaties van decubitus. Kijk voor (nog) meer informatie op hun website.

 

Defloor, T., De Bacquer, D., Grypdonck, M.H. (2005). The effect of various combinations of turning and pressure reducing devices on the incidence of pressure ulcers. International journal of nursing studies 2005 Jan pp. 37-46 doi:10.1016/j.ijnurstu.2004.05.013   

Halfens, R.J.G., Meijers, J.J.M., Neyens, J.C.L., Offermans, M.P.W. (2007). Rapportage resultaten Landelijke Prevalentiemeting Zorgproblemen. Maastricht: Datawyse/Universitaire Pers [PDF]

Houghton, P.E., Kincaid, C.B., Campbell, K.E., Woodbury, M.G., Keast, D.H. (2003). Photographic assessment of the appearance of chronic pressure and leg ulcers. Advances in skin & wound care 2003 Mar-Apr;16(2):91-6 [URL]

Levine. J.M., Savino, F., Peterson M, Wolf CR. (2008). Risk management for pressure ulcers: when the family shows up with a camera. Journal of the American Medical Directors Association. 2008 Jun nr.9 pp. 360-363 doi:10.1016/j.jamda.2008.02.005  

Rajendran PJ, Leachtenauer J, Kell S, Turner B, Newcomer C, Lyder C, Alwan M. (2006): Improving the detection of stage I pressure ulcers by enhancing digital color images. Conference proceedings : Annual International Conference of the IEEE Engineering in Medicine and Biology Society. Conference 2006;1:5206-5209  doi:10.1109/IEMBS.2006.259514

Schoonhoven L, Haalboom J, Bousema M, Algra A, Grobbee D, Grypdonck M, et al. (2002). Prospective cohort study of routine use of risk assessment scales for prediction of pressure ulcers. BMJ, 2002; 325(7368): 797-800.” doi:10.1136/bmj.325.7368.797

Advertenties

One thought on “Mevrouw heeft een plekje op haar stuit…

  1. […] dit is een 'heruitgave' van een in juni 2008 verschenen blogbericht. Het origineel is hier te vinden. De nieuwe versie is op een aantal punten aangepast. Zo hebben sinds het originele […]

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: